Er zijn van die momenten waarop je ineens stilvalt. Niet omdat er niets meer te doen is, maar juist omdat het teveel geworden is. Dit is niet prettig.
Soms grijpt het lichaam eerder in dan het hoofd. Een stijve nek. Hoofdpijn. Vermoeid wakker worden terwijl de nacht lang genoeg leek. Het zijn signalen die in eerste instantie gemakkelijk worden weggewuifd. Nog even doorzetten.
Ondertussen gebeurt er iets anders. De aandacht raakt versnipperd.
Ik zie het vaak in mijn werk. Mensen die hard werken, betrokken zijn en verantwoordelijkheden serieus nemen. Mensen die hun agenda vol hebben staan met overleggen en taken. Alles lijkt belangrijk. Alles vraagt aandacht. En ongemerkt ontstaat er een leven waarin bijna geen ruimte meer overblijft werkelijk ergens bij stil te staan.
De werkdag heeft iets gulzigs gekregen.
Nog een Teams-overleg. Nog een mail beantwoorden. Nog even reageren. Nog iets oppakken omdat niemand anders het doet. Veel mensen zijn niet meer aan het werk, maar voortdurend aan het schakelen.
En daar worden mensen moe van. Niet van werken zelf. Maar van de voortdurende mentale ruis.
Misschien is daarom niet de belangrijkste vraag: Wat moet ik doen?
Maar eerder: Wat hoef ik niet meer te doen? To do or not to do?
Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Want het vraagt eerlijkheid. Onderzoeken welke gewoontes energie kosten. Welke verwachtingen eigenlijk niet meer passen. Welke taken ooit belangrijk waren, maar allang automatisch zijn geworden.
Pas dan ontstaat er ruimte.
Ruimte om na te denken. Ruimte om iets af te maken. Ruimte om met aandacht te werken in plaats van voortdurend brandjes te blussen.
Want dat waar je op focust, neem je waar.
Wie de hele dag bezig is met haast, achterstanden en drukte, gaat de wereld uiteindelijk ook zo ervaren. Terwijl rust vaak niet ontstaat door minder uren te werken, maar door bewuster met aandacht om te gaan.
Dat vraagt soms een andere aanpak. En als je je aanpak verandert, verandert uiteindelijk ook het resultaat.
